Thema Mobiliteitshubs
Met ruim 3.600 inwoners is Feanwâlden (Veenwouden) geen grote plaats. Toch vervult het Friese dorp een belangrijke rol in de bereikbaarheid van Noordoost-Friesland. Bij het ontwerp ging het steeds om de vraag: hoe maken we het gebied beter bereikbaar én aantrekkelijker om in te leven?
Om die vraag goed te beantwoorden, moet je niet beginnen bij een bus of een trein, zegt Sjoerd Hoekstra van de provincie Fryslân. “Maar dan begin je bij de mens, want mobiliteit is een middel om mensen mee te laten doen.”
De aanleiding voor deze hub lag bij een grotere gebiedsontwikkeling. Met de aanleg van De Centrale As kreeg Noordoost-Friesland een nieuwe verkeersader. Tegelijk ontstond de vraag hoe de dorpen langs deze route bereikbaar én leefbaar konden blijven. “Het had makkelijk een traditioneel infrastructuurproject kunnen worden”, vertelt Hoekstra. “Je legt een weg aan, past een kruispunt aan en je bent klaar. Maar wij hebben bewust gekozen voor een bredere benadering. We wilden niet alleen de infrastructuur verbeteren, maar de kwaliteit van het hele gebied.”
Sjoerd Hoekstra
In eerste instantie lag een overstappunt op het kruispunt van De Centrale As en de spoorlijn voor de hand. Functioneel misschien logisch, maar volgens Hoekstra zou daar vooral een anoniem transferium zijn ontstaan. “Daar zit geen dorp en er zijn geen voorzieningen. Dan creëer je een plek waar mensen alleen maar parkeren en weer vertrekken. Dat wilden we voorkomen.”
Daarom viel de keuze op Feanwâlden, een bestaand dorp aan de spoorlijn tussen Leeuwarden en Groningen. Door de sneltrein die hier twee keer per uur stopt, aangevuld met stoptreinen en busverbindingen, ontstond een regionaal overstappunt voor inwoners uit een groot deel van Noordoost-Friesland.
Denk regionaal
Mobiliteit houdt niet op bij de gemeentegrens, weet verkeerskundige Michiel Dreijer van de gemeente Dantumadiel. “Je moet kijken hoe mensen zich daadwerkelijk verplaatsen.” Dat gebeurt in een landelijke regio anders dan in een stad. Inwoners rijden vaak eerst enkele kilometers met de auto of de fiets voordat zij overstappen op trein of bus. “Wij bundelen hier de reizigers uit een groot gebied. Daardoor krijg je voldoende massa om hoogwaardig openbaar vervoer mogelijk te maken. Dat is precies de kracht van zo’n regionale hub.”
Die regionale benadering sluit aan bij de bredere mobiliteitsvisie van Fryslân. De provincie werkt aan een netwerk van regionale hubs langs de belangrijkste verbindingen. Niet iedere kern hoeft alles aan te bieden; juist door functies slim te bundelen ontstaat een robuust netwerk waarin verschillende vervoermiddelen elkaar versterken.
Kwaliteit is geen luxe
Je moet een plek creëren waar mensen graag willen zijn, legt Hoekstra uit. Rond het station kwam een ruim opgezet park met wandelpaden en waterpartijen. De openbare ruimte kreeg hoogwaardige materialen, klimaatadaptieve voorzieningen en veel groen.
Ook bestaande maatschappelijke functies werden bewust onderdeel van het ontwerp. “Er ligt een verzorgingshuis naast. Mensen wandelen door het park. Het oude stationsgebouw heeft weer een maatschappelijke functie gekregen, daar is een horecapunt waar ook mensen werken met een afstand tot de arbeidsmarkt. Daardoor wordt het veel meer dan een plek waar je alleen overstapt.”
Volgens Hoekstra ontstaat daardoor meer draagvlak. “Als je verschillende belangen weet te verbinden, krijg je ambassadeurs voor je project. Mensen herkennen zich erin en voelen dat het ook hún plek is geworden.”
Provincie verbindt
Hoewel provincie, regio en gemeente intensief samenwerkten, was de rolverdeling heel helder, legt Hoekstra uit. “De gemeente moet eigenaar blijven van zo’n project. Zij staan het dichtst bij de inwoners.” Dat betekent niet dat de provincie op afstand blijft. Door actief mee te denken over bereikbaarheid, leefbaarheid en financiering konden verschillende budgetten worden gecombineerd tot één integraal project.
“Je moet creatief zijn”, zegt Hoekstra. “Niet alleen kijken uit welk potje iets betaald kan worden, maar eerst bedenken wat je wilt bereiken. Daarna zoek je daar de financiering bij.” Die integrale aanpak zorgde ervoor dat de herinrichting binnen de beschikbare budgetten kon worden uitgevoerd, zonder concessies te doen aan de kwaliteit van de openbare ruimte.
Nieuwe uitdagingen
Dat de mobiliteitshub in Feanwâlden werkt, blijkt wel uit een probleem dat is ontstaan: het parkeerterrein staat regelmatig vol. “We kregen steeds vaker signalen dat mensen uitweken naar bermen, stoepen en omliggende straten”, vertelt Dreijer. “Daarom hebben we eerst een parkeeronderzoek uitgevoerd. Dat bevestigde wat bewoners al zagen: de capaciteit was niet langer voldoende.”
De gemeente breidde het aantal parkeerplaatsen daarom op korte termijn uit met ongeveer 25 extra plekken. Tegelijkertijd wordt gewerkt aan een grotere uitbreiding, mede mogelijk gemaakt door de Regio Deal. Het is de uitdaging om de capaciteit te vergroten zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit van de omgeving, weet Dreijer. Maar die extra parkeerdruk moet niet alleen als probleem worden gezien, vult Hoekstra aan. “Eigenlijk is het ook een compliment. Blijkbaar weten mensen de hub te vinden.”
Michiel Dreijer
Auto blijft belangrijk
In Fryslân blijft de auto voorlopig een belangrijk onderdeel van de reis, weet Hoekstra. “Dat moet je niet ontkennen. Mensen wonen verspreid en openbaar vervoer kan niet overal dezelfde frequentie bieden als in een grote stad.”
De kunst is volgens hem daarom niet om de auto te verdringen, maar om hem slim onderdeel te maken van de reis. “Wij willen dat mensen snel het gebied in én uit kunnen. Dan is het logisch dat iemand eerst met de auto naar Feanwâlden rijdt en vervolgens met de trein verder reist. Dat is óók duurzame mobiliteit.”
Daarom waarschuwt hij andere gemeenten om reizigers niet teleur te stellen. “Je moet geen ‘nee’ verkopen. Als mensen twee keer achter elkaar geen parkeerplaats kunnen vinden, rijden ze de volgende keer gewoon weer gewoon met de auto naar de stad.”
Naast de uitbreiding van de P+R kijkt de gemeente daarom ook naar de volgende stap. De overdekte fietsenstalling raakt steeds voller en de recent geopende doorfietsroute naar Feanwâlden maakt het station ook voor fietsers aantrekkelijker. De komende jaren wordt onderzocht welke voorzieningen daarbij passen, bijvoorbeeld voor verschillende typen fietsen.
Een hub is nooit af
Over deze mobiliteitshub zijn de initiatiefnemers dus nog niet uitgedacht. “Toen wij dit ontwierpen, bestonden veel huidige ontwikkelingen nog niet”, zegt Hoekstra. “Denk aan de enorme groei van elektrische fietsen of nieuwe vormen van deelmobiliteit. Daarom moet je zo’n plek regelmatig opnieuw bekijken. Je bent nooit klaar.”
Ook daarom investeert Fryslân niet alleen in afzonderlijke hubs, maar in een samenhangend netwerk van sterke verbindingen. Regionale hubs vormen daarin de schakels tussen auto, fiets, bus en trein, terwijl op de achtergrond wordt gewerkt aan nieuwe vormen van publieke mobiliteit waarbij verschillende vervoerstromen slimmer worden gecombineerd. “Het gaat uiteindelijk niet om een bus, een trein of een auto”, zegt Hoekstra. “Het gaat erom dat mensen kunnen komen waar ze moeten zijn.”
Lessen voor andere gemeenten?
Ze kunnen wel een dagprogramma vullen met wat ze geleerd hebben, lacht Hoekstra. “Want er komen zoveel facetten bij elkaar...” Maar het begint bij het loslaten van een puur mobiliteitsperspectief, vertelt hij. “Zie een hub dus niet als een verkeersproject, maar als een gebiedsontwikkeling.” Dat betekent dat je niet alleen kijkt naar bereikbaarheid, maar ook naar leefbaarheid, gezondheid, klimaatadaptatie en de identiteit van een plek. “En juist door die functies met elkaar te verbinden ontstaat draagvlak.”
De tweede les is om kwaliteit niet als sluitpost te behandelen. “De kwaliteit van de openbare ruimte maakt dat mensen zich prettig voelen. Dat is geen luxe, maar een voorwaarde.” Groen, water, goede materialen en maatschappelijke functies zorgen ervoor dat een mobiliteitshub meer wordt dan een overstappunt. Het wordt een plek waar mensen graag verblijven.
En als derde les pleit Hoekstra voor een regionale blik. Want juist in landelijke gebieden trekken inwoners zich weinig aan van gemeentegrenzen. Ze kiezen simpelweg de snelste en prettigste route. “Kijk dus niet alleen naar je eigen gemeente, maar kijk hoe mensen zich daadwerkelijk door de regio bewegen”, zegt Hoekstra tot slot.
Meer lezen
Delen via