Innovatie, Europa en duurzaamheid vereisen aanpassing RAW-bepalingen

18-01-2019

De vertaling van Europese wetgeving in de Standaard RAW Bepalingen voor asfaltverhardingen was het afgelopen decennium zonder twijfel de grootste opgave voor de CROW-werkgroep Asfaltverhardingen (WGA). Nu daarmee flinke slagen zijn gemaakt, wacht een nieuwe uitdaging: de RAW in overeenstemming brengen met inzichten over duurzaamheid en een circulaire economie. Los van deze majeure operaties speelt steeds de vraag welke innovaties op asfaltgebied ver genoeg zijn uitgekristalliseerd om in de Standaard te worden opgenomen. Dit verklaart waarom de WGA als enige CROW-werkgroep een permanent karakter heeft. Sandra Erkens, hoogleraar wegbouwkunde aan de TU Delft, en Harry Roos, beleidsadviseur bij de Vakgroep Bitumineuze Werken van Bouwend Nederland, hebben respectievelijk twaalf en dertien jaar deel uitgemaakt van de WGA. Hun vertrek was aanleiding voor een gesprek over de vaak weerbarstige, maar essentiële activiteiten van deze bijzondere werkgroep.

Sandra en Harry

Sandra Erkens (SE)
en Harry Roos (HR) traden eind 2005 toe tot de WGA. Beiden namen het stokje over van een voorganger uit de organisatie waarvoor zij werkten. Bij Erkens was dat Rijkswaterstaat, naast provincies en gemeenten een belangrijke partij aan opdrachtgeverszijde in de WGA. Bij Roos was het de VBW-Asfalt, later opgegaan in Bouwend Nederland, als vertegenwoordiger van de opdrachtnemers.

HR: “Elke vijf jaar worden de Standaard RAW Bepalingen geactualiseerd. Daarin zijn zo’n 130 pagina’s gewijd aan de samenstelling en kenmerken van uiteenlopende asfaltmengsels en nog eens 50 pagina’s aan de beschrijving en normering van proeven en testmethoden voor asfalt. In veel van die contractbepalingen zijn na verloop van tijd aanpassingen nodig, omdat de technologie voortschrijdt. Men doet nieuwe ervaringen op, na evaluatie blijkt een bepaalde methode toch niet ideaal. Als werkgroep proberen we dan gezamenlijk vast te stellen welke wijzigingen gewenst zijn en hoe die geformuleerd moeten worden. Noem dat maar het up to date houden van de bestaande inhoud.”

SE: “Daarbij is het van belang om te documenteren waarom teksten worden veranderd. Voor intern gebruik binnen de werkgroep, maar ook om aanpassingen later te kunnen verklaren als mensen daarom vragen. Dat documenteren is wel iets om constant alert op te blijven. Ook bij het opnemen van nieuwe contractbepalingen.”

HR: “Daarnaast gaat er veel werk zitten in het bepalen wanneer nieuwe producten of andersoortige innovaties zo ver zijn ontwikkeld, dat zij een plaats in de Standaard verdienen. Wanneer heeft een nieuw type asfaltmengsel zich in technische zin voldoende bewezen? Wanneer is er voldoende praktijkervaring mee opgedaan? Wanneer zijn de beproevingsmethoden voldoende uitgekristalliseerd? Een opdrachtgever wil op een zeker moment ook een tot dan toe ‘speciaal product’ op een objectieve manier kunnen beoordelen en heeft dan behoefte aan generieke eisen. Die eisen moeten vervolgens worden geformuleerd in de vorm van contractbepalingen. Een nieuw product toevoegen is dus best een tijdrovend proces.”

SE: “Dat klopt, maar als een nieuwe specialty eenmaal in de Standaard is opgenomen, heeft dat belangrijke voordelen. Ten eerste hoeft niet iedereen opnieuw het wiel uit te vinden. Daarnaast kan een betrekkelijk nieuw product overal op dezelfde wijze worden uitgevraagd, toegepast en beoordeeld. Belangrijk is wel dat de RAW-bepalingen gebaseerd zijn op gerapporteerde, voor iedereen beschikbare feiten. Verder moeten ze niet alleen helder en nauwkeurig zijn, maar ook evenwichtig. Daarom is het goed dat in de WGA zowel opdrachtgevers als opdrachtnemers zijn vertegenwoordigd.”

Je zou kunnen denken dat innovaties dan toch eigenlijk maar zo snel mogelijk moeten worden opgenomen in de RAW.
SE: “Nee, het is echt noodzakelijk dat nieuwe mengsels eerst voldoende zijn getest en dat methoden voldoende zijn uitgekristalliseerd. Je kunt erover discussiëren wanneer dat punt bereikt is, en dat doen we ook in de WGA, maar regelgeving is per definitie pas aan de orde als een product of proces zich heeft bewezen.”

HR: “Voor nieuwe producten en toepassingen die echt nog in ontwikkeling zijn, hebben we in het voorjaar van 2018 het Asfaltkwaliteitsloket opgericht. Dit is een initiatief van de branche dat door CROW wordt gefaciliteerd en dat tot doel heeft een verdienmodel mogelijk te maken voor opdrachtnemers met innovaties. We zitten nog in de opstartfase, maar ik verwacht dat het Asfaltkwaliteitsloket op termijn kan leiden tot een uniforme eisenset per opdrachtgever per situatie. Daarom worden ook opdrachtgevers bij de ontwikkeling betrokken. RAW en Asfaltkwaliteitsloket zijn complementair, maar opname in het Asfaltkwaliteitsloket kan een opstap zijn naar opname in de RAW.”

Rond innovaties spelen ook altijd commerciële belangen. Is er voldoende bereidheid om kennis te delen?
SE: “Een jaar of vijftien geleden, met de opkomst van de geïntegreerde contractvormen, waren aannemers daar vrij terughoudend mee. Nieuwe kennis werd toen echt beschouwd als een belangrijk onderdeel van de concurrentiepositie. Dat is het natuurlijk ook, maar ik hoor ook van onderzoekers bij aannemers dat het erg ongunstig is als je steeds met elke opdrachtgever door de validatieprocedure moet om een innovatief, eigen product te mogen toepassen. Daar zit dus een prikkel om wat gemakkelijker kennis te delen. Het ideale evenwicht tussen het eigen terugverdienmodel van de opdrachtnemer en het collectieve belang is nog niet gevonden, maar we gaan de goede kant op.”

De vraag wat het belangrijkste onderwerp is waarover de werkgroep zich de afgelopen jaren heeft gebogen, wordt door Erkens en Roos eensgezind beantwoord: de doorvertaling van de Europese wetgeving in de RAW.
SE: “Je bent verplicht de nationale regelgeving aan te passen aan de Europese wetgeving. Die laatste biedt, niet in de laatste plaats door toedoen van Nederland, de mogelijkheid voor een functionele benadering. In zijn meest extreme vorm betekent dit dat een opdrachtgever een weg van A naar B zou kunnen vragen waarover dagelijks zoveel duizend aslasten moeten kunnen passeren en die met beperkt onderhoud minstens twintig jaar goed functioneert. De ‘receptbenadering’ van de RAW voor de Europese regelgeving is er juist op gericht een opdrachtgever in staat te stellen om heel nauwkeurig aan te geven welke constructie hij wenst en met welke materialen die moet worden uitgevoerd. Bij de functionele benadering, ook bekend als oplossingsvrij specificeren, ligt de verantwoordelijkheid voor de gekozen oplossing bij de opdrachtnemer, bij de receptbenadering ligt die bij de opdrachtgever.”

HR: “De uitdaging was om de RAW-contractbepalingen zodanig aan te passen dat ze ook bruikbaar zijn voor uitvragen die resultaten beschrijven in de vorm van functionele eisen. Het maken van die vertaalslag was best spannend, er was geen referentiekader. Het was bovendien een enorme opgave, mede omdat er bij een functionele benadering ook andere proeven nodig zijn. De klassieke Marshallproef bijvoorbeeld, waarbij een proefstuk asfalt wordt belast tot het bezwijkt, leent zich niet als indicator voor een prestatiebestek.”

SE: “Nu hoefden we gelukkig niet helemaal bij nul te beginnen. Er is zo’n twintig jaar gewerkt aan de Europese regelgeving voor asfalt. De Nederlandse vertegenwoordigers in de CEN-commissies hebben daarbij een belangrijke rol gespeeld. Hierdoor is de vierpuntsbuigproef, waarmee in Nederland al decennialang ervaring was, opgenomen in de Europese normen. Daardoor konden we voor de belangrijkste functionele eigenschappen   stijfheid en weerstand tegen vermoeiing   gebruik blijven maken van de bestaande ervaring. Met de proeven voor de andere functionele eigenschappen   weerstand tegen permanente vervorming en watergevoeligheid   was minder ervaring.”

HR: “Vaak hebben we een functionele beschrijving voor een verhardingsconstructie kunnen vertalen in eisen voor de afzonderlijke lagen van asfaltconstructies die we kennen. Daarbij hebben we in veel gevallen kunnen aanhaken bij de indeling in verkeersklassen en mengsels die al bestond vanuit de RAW-receptbenadering. Van die bekende mengsels zijn ten tijde van de introductie van de functionele benadering de functionele eigenschappen vastgesteld. Het betekent dat er voor een toplaag heel andere eisen kunnen gelden dan voor lagen middenin de constructie. Als aan de eisen voor die afzonderlijke lagen wordt voldaan, mag je verwachten dat ook de totale constructie zal voldoen aan de gevraagde levensduur. Voor deze aanpak is het wel noodzakelijk dat je de opbouw en de kwaliteiten van de diverse typen verhardingsconstructies kent.”

SE: “De inhoud van de RAW mag zonder bezwaar worden aangevuld met bepalingen om aan de Europese wetgeving te voldoen, maar er mogen geen bepalingen worden opgenomen die met de Europese regels in strijd zijn. Die zouden namelijk een handelsbelemmering kunnen vormen voor een buitenlandse aannemer. Eerlijk gezegd wijkt de RAW incidenteel wel eens af, maar dat is dan te onderbouwen. Waar het uiteindelijk om gaat, is dat de RAW-contractbepalingen er enerzijds voor zorgen dat partijen elkaar voor de uitvoering van een project goed kunnen vinden, en het anderzijds ook mogelijk maken dat een opdrachtgever en een opdrachtnemer na voltooiing van een project op een georganiseerde manier van elkaar af kunnen komen. Als beide partijen er redelijk zeker van zijn dat bijvoorbeeld een geleverde verharding van de uitgevraagde kwaliteit is, dan is het natuurlijk niet nodig om een opdrachtnemer twintig jaar op zijn betaling te laten wachten totdat de opdrachtgever er volledig van overtuigd is dat het werk daadwerkelijk voldoet aan de destijds gestelde eisen.”

HR: “De functionele benadering levert veel werk op voor de WGA, maar schept ook volop nieuwe mogelijkheden. Er is een tijd geweest dat de opdrachtgever zei: u zult zoveel procent hergebruiken. Dat deed de opdrachtnemer dan. Maar op een zeker moment konden opdrachtnemers een veel hoger hergebruikpercentage realiseren. Met minstens dezelfde kwaliteit van de asfaltverharding uiteraard. Een functionele aanpak maakt de toepassing van zo’n mengsel dan een stuk eenvoudiger. Tegenwoordig is 60% hergebruik de standaard, maar meer komt ook regelmatig voor.”

Wat wordt in de komende jaren het belangrijkste thema voor de werkgroep?
HR: “Naast de verdere doorvoering van functionele principes zal dat het streven naar duurzaamheid en een circulaire economie zijn. Met name omdat Rijkswaterstaat juist asfalt als een belangrijk materiaal beschouwt om doelstellingen op dit gebied, zoals CO2-reductie, te realiseren. Opdrachtgevers zullen steeds meer gaan werken met prestatie-eisen. Dat biedt immers nog ruimere mogelijkheden om afval- en reststoffen in asfaltmengsels te verwerken. Opdrachtnemers kunnen vele oplossingen aanbieden, zoals lagetemperatuurasfalt, gebruik van biobased bindmiddelen, mengsels met secundaire materialen of een zeer lange levensduur. Maar ze moeten er ook iets aan kunnen verdienen. Het wordt nog een lastige taak voor de WGA om heldere, gestandaardiseerde besteksbepalingen op te stellen die dat allemaal mogelijk maken.”

SE: “Tegelijk is het essentieel dat die cyclus van nieuwe ontwikkelingen inbrengen in de Standaard, ze uitwerken, standaardiseren, aanpassen en vernieuwen in stand blijft. Dat is namelijk dé manier om maatschappelijk gewenste ontwikkelingen in de praktijk te realiseren. Er is nog wel veel onderzoek nodig om gewenste ontwikkelingen acceptabel te krijgen voor opdrachtgevers en opdrachtnemers. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de monetarisering van de Milieu Kosten Indicator (MKI), waarin onder meer de carbon footprint wordt verdisconteerd, en de echte levensduur van asfaltmengsels. Gegevens over dat laatste ijlen per definitie na: je begint met een verwachte levensduur, pas na verloop van tijd heb je echte gegevens. Hoe verwerk je dergelijke onzekerheden en ontwikkelingen in een standaardrekenmethode? Verder zal de WGA voor toekomstige asfaltmengsels op zoek moeten naar nieuwe proeven en beoordelingsmethoden om die goed op kwaliteit te kunnen beoordelen. Alleen al omdat het bitumen van morgen niet meer het bitumen van vandaag zal zijn.”

HR: “Opdrachtnemers kunnen veel zaken technisch invullen als de opdrachtgever zijn wensen duidelijk formuleert. Het is de kunst is om ruim geformuleerde doelen om te zetten in bruikbare besteksbepalingen. Daarbij blijft het van groot belang dat de input van alle stakeholders goed wordt gewaarborgd. Wat betreft Rijkswaterstaat zal dat wel lukken, maar het is essentieel dat ook provincies en gemeenten aangehaakt blijven. Zij moeten nadrukkelijk ook in de WGA vertegenwoordigd blijven.”

SE: “Het is van groot belang dat opdrachtgevers en opdrachtnemers elkaar aan de overlegtafel blijven ontmoeten. De behoefte aan objectief onderbouwde regelgeving, waarbij de belangen van zowel opdrachtgevers als opdrachtnemers worden meegewogen, blijft bestaan. Ik weet niet of de WGA tot in lengte van dagen een permanent karakter moet houden, maar op het moment speelt er nog genoeg. Daarom is het cruciaal dat deze werkgroep enthousiast doorgaat.”

Permanente werkgroep

De eerste, nog betrekkelijk dunne editie van de Standaard RAW Bepalingen verscheen in 1979. Vermoedelijk werd de CROW-werkgroep ‘Asfalttechnologie’ (later de WGA) enige jaren later opgericht. Met als doel de contractbepalingen omtrent asfalt te actualiseren en uit te breiden voor de Standaard van 1985. Dit up to date houden van de ‘asfaltparagrafen’ is nog steeds een kerntaak van de WGA. De contractbepalingen dienen relevant, nauwkeurig, eenduidig, verifieerbaar en valideerbaar te blijven. En breed gedragen. Daarom bestaat de WGA uit gelijke aantallen vertegenwoordigers van opdrachtgevers en opdrachtnemers.

Al spoedig bleek dat zich op asfaltgebied in hoog tempo nieuwe ontwikkelingen voordeden. Niet alleen wat betreft de asfalttechnologie, maar ook op het gebied van milieu, arbeidsomstandigheden, verkeersveiligheid, hergebruik en duurzaamheid. Daarnaast nam de impact van nationaal beleid en internationale regelgeving toe. Daarom werd besloten de werkgroep een permanent karakter te geven. Dit is uniek binnen CROW en mogelijk ook binnen Europa.
De WGA komt in principe elke derde donderdag van de maand bijeen. Rekening houdend met enige afwezigheid, zullen Sandra Erkens en Harry Roos in hun twaalf en dertien jaar lidmaatschap zeker zo’n honderd bijeenkomsten hebben bijgewoond.

Sandra Erkens

Prof. dr. ir. Sandra Erkens studeerde constructiemechanica aan de TU Delft, maar raakte door een practicum dusdanig gefascineerd door de wegbouwkunde, dat ze hierin een aanvullend examen deed. Haar promotieonderzoek betrof de toepassing van materiaalmechanica op asfaltmengsels.
Vervolgens werkte ze eerst in deeltijd voor zowel TUD als Rijkswaterstaat, maar in het voorjaar van 2005 trad ze fulltime in dienst van laatstgenoemde organisatie. Aan het eind van dat jaar kreeg ze het verzoek om, als vertegenwoordiger van Rijkswaterstaat, zitting te nemen in de WGA.

“Het grappige was dat, toen ik bij de start van mijn promotieonderzoek voor het eerst in de Standaard alle bepalingen voor asfalt bekeek, ik dacht: hier ga ik nooit wijs uit worden. Maar een tijdje later realiseerde ik me dat ik toch vrij gemakkelijk van de ene tabel naar de andere sprong. Het is dus te leren.”
Sinds 2013 werkt Erkens weer in deeltijd bij de TUD, als hoogleraar wegbouwkunde. Ze hoopt daar voorlopig mee door te gaan. “Om jonge mensen te interesseren voor dit boeiende vak en in het bijzonder voor de veelzijdigheid van asfalttoepassingen.” In 2017 heeft Erkens het WGA-lidmaatschap overgedragen aan een opvolgster.

Harry Roos

Ir. Harry Roos was tot december 2018 beleidsadviseur bij de Vakgroep Bitumineuze Werken van Bouwend Nederland. Daarvoor vervulde hij een vergelijkbare functie bij de VBW-Asfalt, de brancheorganisatie van asfaltproducerende bedrijven die in de bouwbrede organisatie opging.

“De VBW-Asfalt was van meet af aan in de werkgroep vertegenwoordigd. Eerst vooral als spreekbuis van de opdrachtnemers, maar geleidelijk aan ook steeds meer als leverancier van praktische kennis. Dat was een direct gevolg van de terugtredende overheid en de toenemende marktwerking. Ik had, in mijn aannemerstijd, al met de RAW te maken gehad en gewerkt aan asfaltinnovaties. Dat heeft waarschijnlijk meegespeeld bij mijn benoeming voor de WGA. Omdat er destijds diverse reorganisaties gaande waren, kreeg ik een tijdelijke aanstelling als WGA-lid. Die heeft dus dertien jaar stand gehouden.”
Dit interview werd gehouden op de laatste werkdag van Harry Roos. Hij is zijn pensionering gestart met een reis naar Afrika. Wat hij daarna gaat doen, kon hij nog niet zeggen. Mogelijk wat advieswerk, maar hobbyen in de houtbewerking lijkt hem ook wel wat.

Opvolgers

Sandra Erkens wordt opgevolgd door Inge van Vilsteren. Zij is adviseur wegenbouwmaterialen op de Afdeling Wegen en Geotechniek van Rijkswaterstaat ‘Grote Projecten en Onderhoud’. Harry Roos draagt het stokje over aan Pascal Kregting, beleidsadviseur bij de Vakgroep Bitumineuze Werken van Bouwend Nederland.

Links

Bekijk de themapagina van RAW.

Mét CROW onzichtbaar goed geregeld
Scroll naar boven