Beschikbaarheid

Trends over de ov-beschikbaarheid

Mede dankzij de marktwerking in het openbaar vervoer is sinds 2001 het aanbod aan vaste openbaar-vervoerlijnen gegroeid, hetgeen onder meer tot uitdrukking komt in het stijgende percentage van inwoners dat in de naaste omgeving toegang heeft tot een vaste lijndienst. In de jaren 2013 en 2015 is wat betreft deze vorm van ov-beschikbaarheid het hoogtepunt bereikt met 92,4% van alle inwoners. Vanaf dat moment gaat de curve (met 92,1% in 2017) de andere kant op, in de richting van een kleinere ov-beschikbaarheid. Deze omslag is niet onverwacht. Er zijn vier factoren die hierbij een rol spelen:

  • Bezuinigingen op de exploitatiesubsidie voor het regionale openbaar vervoer;

  • De hogere kosten van een dienstregelinguur;

  • De verschuiving van het beleidsaccent naar ov-lijnen die het meest voorzien in de vervoersbehoefte: versterking van sterke lijnen;

  • De ombouw van slecht renderende buslijnen naar spits- en scholierenlijnen en vraagafhankelijke systemen (die niet zijn meegenomen in de berekening van de ov-beschikbaarheid).

Het gaat nog om kleine verschuivingen. Maar we kunnen verwachten dat onder meer door de invulling van aanbestedingen van ov-concessies de daling van vaste lijnen en stijging van vraagafhankelijke systemen voort zal gaan. Dit moet overigens niet negatief worden beoordeeld. Het resultaat zal zijn dat overheidsmiddelen doelmatiger worden ingezet, dat er minder lege bussen rijden en dat per saldo er méér reizigers kunnen worden vervoerd.

In bovenstaande tabel de ontwikkeling van de ov-beschikbaarheid naar ov-autoriteit. Niet verrassend halen de Randstad-overheden de hoogste percentages.

Uitzonderingen op de landelijke trend zijn Noord-Holland (+1,4 procentpunt), Flevoland (+0,3) en Zeeland (+1,0).

Aantal inwoners binnen invloedsgebied trein daalt licht

Meer dan de helft van de inwoners in ons land (51,5%) woont in 2017 binnen een straal van twee kilometer van een station of drie kilometer van een Intercitystation. In 2015 was dit 52,1%. Deze daling is vrijwel geheel toe te rekenen aan het tijdelijk wegvallen van de railverbinding naar Hoek van Holland (ombouw Hoekse Lijn van spoorlijn naar metro). De Vervoerregio Amsterdam kent de grootste beschikbaarheid, Drenthe de kleinste.

Licht minder banen binnen bereik ov

De ov-beschikbaarheid kan ook worden bezien vanuit de locatie van het aantal banen. Van de ruim 6,87 miljoen banen in ons land blijkt in 2017 87,9% een ov-halte of station in de nabijheid te hebben. In 2015 was dit 88,2%. Dat is een iets lager percentage dan in 2015. Aan het invloedsgebied is een iets andere invulling gegeven dan bij ‘wonen’ (zie de verantwoording).

Tegen de landelijke trend in stijgt het aandeel banen in de ov-cirkels in Groningen en Noord-Brabant.  Het aandeel van de banen binnen ov-bereik neemt het meest af in Drenthe, Limburg, Zuid-Holland en Flevoland.

Verantwoording

Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft een methode ontwikkeld om de ov-beschikbaarheid zichbaar te maken. In zijn geografisch informatiesysteem (GIS) met de ruimtelijke spreiding van inwoners en arbeidsplaatsen legt het PBL lagen met alle stations en haltes en met alle ov-lijnen en hun frequenties. Door rond haltes en stations digitaal cirkels te trekken wordt vastgesteld hoeveel inwoners bijvoorbeeld vier keer, twee keer of een keer per uur een vertrekmogelijkheid in de omgeving hebben. Met ‘in de omgeving’ wordt bedoeld:

  • hemelsbreed binnen 500 meter een bus- of tramhalte

  • en/of hemelsbreed binnen 1.000 meter een metro- of sneltramhalte,

  • en/of hemelsbreed binnen 2.000 meter een treinstation

  • en/of hemelsbreed binnen 3.000 meter een Intercitystation.

Voor ‘banen’ zijn de kringen iets anders gedfinieerd, namelijk hemelsbreed 500 meter tot een bus-, tram- of metrohalte, 1000 meter tot een treinstation of 1500 meter tot een intercity knooppunt.
Maatgevend is de frequentie overdag op werkdagen in de drukste richting.

Staat van het ov
Scroll naar boven