Opdrachtgever moet risico’s verontreiniging in beeld hebben

05-03-2018

Aannemers moeten zich houden aan regels en voorschriften voor het werk in verontreinigde grond. Maar de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de grondroerders ligt ook bij de grondeigenaar en opdrachtgever. Daarom is de introductiecursus over de nieuwe richtlijn in de CROW publicatie 400 ook voor hen van belang.

Hoe er in een bouwproces wordt omgegaan met verontreinigde grond is niet alleen een technische kwestie, zegt expert Daan van Wieringen van ingenieursbureau Tauw, die ook de introductiecursus “Werken in en met verontreinigde bodem” verzorgt. “Het gaat ook om de verantwoordelijkheid om kennis te vergaren wat er in de bodem aanwezig is, al vóór een aanbesteding.”

Het Arbobesluit

Die regel is sinds 2017 alleen maar duidelijker geworden door een aanpassing van het Arbobesluit: de opdrachtgever moet de risico’s van asbest en bodemverontreiniging  in kaart brengen en beoordelen. “De wetgever heeft dat specifiek en letterlijk in de tekst gezet, zodat er geen andere interpretatie mogelijk is.”
De aandacht voor verontreinigde bodem is de laatste tientallen jaren fors toegenomen. In eerste instantie ging die aandacht vooral naar de gevaren voor de volksgezondheid, na een aantal gifschandalen in de jaren tachtig. Maar de tijd van de grote bodemsaneringen is wel voorbij, denkt Van Wieringen. “Er is nu veel meer aandacht voor de grondwerker die werkzaamheden uitvoert in verontreinigde grond  Men vroeg zich voorheen nog wel eens af: ‘moeten we het hele circus van veiligheidsmaatregelen wel optuigen als het om een kleine locatie gaat?’ Maar voor een grondwerker maakt het niets uit. Die moet in die omstandigheden werken, soms dagen achter elkaar, maar telkens op een andere locatie.”

Bewustwording

Met de toename van de bewustwording over verontreinigde grond  is ook duidelijk dat de grond op binnenstedelijke locaties zelden “schoon” is. “De grond in de binnenstad van Amsterdam en veel andere steden kan eigenlijk altijd wel als verontreinigd worden beschouwd. Maar het hangt enorm af van de specifieke plek en de soort verontreiniging welke maatregelen moeten worden genomen. “In de nieuwe publicatie 400 zijn die richtlijnen minder generiek geworden, ook door ervaring en onderzoek. Zo is het nu makkelijker om de maatregelen toe te spitsen op de specifieke werkzaamheden, locatie en verontreiniging. Om een voorbeeld te geven: in veel binnenstedelijke bodems zitten diverse zware metalen, zoals lood, als gevolg van activiteiten in het verleden. In de vorige richtlijn betekende dat een inzet van de strengste (3T) veiligheidsmaatregelen. Maar in veel gevallen is het blootstellingsrisico goed te beheersen met minder maar met specifieke maatregelen beter dan een compleet pakket aan generatieve maatregelen.

Richtlijn

De CROW 400 lijkt toch vooral geschreven voor “de man met de schep in de grond”, maar Van Wieringen wijst erop dat ook opdrachtgevers gebaat zijn bij meer kennis over de CROW 400. “Met de nieuwe publicatie verandert er niets aan de stoffen en de hulpmiddelen die gebruikt worden. Maar wel aan hoe we omgaan met het proces. Aan de voorkant, bij het begin van het aanbestedingsproces moet er al aandacht zijn besteed aan het beheersen van de blootstellingrisico’s en moet een opdrachtgever of grondeigenaar duidelijk specificeren welke maatregelen nodig zijn tijdens het werken in verontreinigde bodem. Dat kan niet alleen aan de inschrijver worden overgelaten. Het moet bij inschrijving voor alle partijen duidelijk zijn welke veiligheidsmaatregelen minimaal noodzakelijk zijn en daarmee onderdeel zijn  van het aanbestedingsproces.” Bij het werken in verontreinigde grond is de inzet van een veiligheidskundige in de pre-contractuele fase daarom onontbeerlijk.
Bovendien kan de moderne techniek het voor opdrachtgevers steeds makkelijker maken om de informatie over grond te ontsluiten. “De vorige richtlijn kwam uit in 2008, toen iedereen nog alleen een Nokia had. Nu zijn er datasystemen die beschikbaar zijn met smartphone vanaf de bouwplaats.” Maar Van Wieringen waarschuwt wel voor een schijnveiligheid. “Deskundigheid blijft wel nodig om de juiste informatie boven te krijgen.” En opdrachtgevers moeten daarom zorgen dat bodeminformatie zorgvuldig en zo compleet als mogelijk wordt geraadpleegd en gerapporteerd. Pas dan kunnen we echt risicogestuurd en locatiespecifiek de maatregelen vaststellen voor het werken met verontreinigde grond.

Benieuwd wat er nog meer verteld wordt tijdens de introductiecursus?

Interview door Michiel Maas

Publicatie 400

Praktische kennis direct toepasbaar
Scroll naar boven