Met kennis van gedrag beleid maken 20 nov 2014

    Mensen nemen geen puur rationele beslissingen, het aantal keuzes dat ze aankunnen is beperkt en ze hebben geen oog voor de invloeden waaraan ze onderhevig zijn in hun eigen gedrag. Menselijk gedrag wordt langzamerhand een steeds belangrijker factor bij het maken van beleid.

    Maar hoe kan kennis over gedrag het beste worden verankerd in het beleidsontwikkelingsproces? Welke kennis en instrumenten kunnen we inzetten om gedrag te beïnvloeden en welke afwegingen moeten daarbij gemaakt worden? De WRR schreef 'Met kennis van gedrag beleid maken', een breed opgezet rapport dat zich specifiek richt op de Nederlandse overheid

    Kennis over gedragswetenschappen wordt steeds belangrijker voor beleidsmakers. Zo heeft het Ministerie van IenM al een BIT. Het Rijk wil gedragswetenschappelijke kennis nog beter inzetten, en vroeg de WRR, de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid om een advies uit te brengen over de relevantie en de mogelijkheden van nieuwe gedragswetenschappelijke kennis voor de beleidsvorming binnen de Rijksoverheid. Het rapport richt zich weliswaar op het Rijk, maar is zo breed opgezet dat het interessant is voor iedereen met belangstellingen voor de inzet van gedragswetenschappen in beleidsvorming.  

    Waarom gedragswetenschap?

    Er bestaan grofweg twee redenen voor overheden om zich in te verdiepen in de inzet van gedragswetenschap. Als eerste worden overheden steeds vaker geconfronteerd met vraagstukken waarin een optelsom van individuele gedragingen en keuzes een belangrijke rol speelt. Een voorbeeld hiervan is spitsmijden. In de eerste instantie werden files aangepakt met meer asfalt. Inmiddels weten we dat dit niet de hele oplossing is; er komen steeds meer auto's en steeds meer verplaatsingen bij. Daarom kiezen we meer en meer voor oplossingen waarbij automobilisten verleidt worden om niet allemaal tegelijk in dezelfde ochtendspits te gaan staan. Een tweede reden voor overheden om zich te verdiepen in gedragswetenschap is een veranderende beleidstrend. Overheden leggen steeds meer nadruk op eigen verantwoordelijkheid en keuzevrijheid. Maar om dat op een verantwoorde manier in de samenleving in te zetten, moeten beleidsmakers wel op de hoogte zijn van de manier waarop mensen keuzes maken, en welke keuzes ze aankunnen. Vooral bij de lagere inkomensgroepen blijkt de kwaliteit van de beslissingen af te nemen als de keuzedruk (het aantal te maken keuzes) oploopt. 
    Een aspect daarvan dat tijdens de recente economische crisis pijnlijk duidelijk werd, is het feit dat mensen geen rationele keuzes maken. Mensen zijn gevoelig voor een reeks aan biases bij het nemen van beslissingen. De WRR noemt de volgende biases; 
    • mensen hebben moeite om rekening te houden met de lange termijn 
    • mensen trekken zich veel aan van anderen in hun omgeving 
    • mensen worden vaak onbewust beïnvloedt door andere mensen, maar ook door de manier waarop de keuze wordt gepresenteerd.
    Dat zijn herkenbare biases voor wie zich bezighoudt met mobiliteitsgedrag. Het is zinloos om te vertellen over smeltende poolkappen door ons autogebruik, net zoals een fietscampagne in een sociale omgeving waarin autogebruik veel status heeft. Het rapport van de WRR biedt een paar uitgebreide voorbeelden van minder geslaagd beleid dat -achteraf gezien- door de inzet van kennis over gedrag succesvoller had kunnen uitpakken. 

    Nederlandse situatie

    Het is niet verwonderlijk dat de auteurs van het rapport naar het buitenland kijken. Toch willen zij niet te veel naar het Britse BIT kijken, omdat het Nederlandse bestuur anders in elkaar zit. Daarom komen ze zelf met een vraagstelling; wat heeft Nederland echt nodig om gedragswetenschappen in beleidsvorming te implementeren? De elementen die ze daarvoor aandragen, zoals het formuleren van een goede aanpak en het nemen van voldoende tijd om te experimenteren en te leren, zijn eigenlijk niet onbekend bij de Nederlandse overheid. De WRR concludeert wel dat deze elementen, als ze al ingezet worden, vaak te laat in het proces ingezet worden. 

    Gedrag en beleid

    Een groot deel van het tweede hoofdstuk van het rapport wordt daarom besteed aan de mogelijkheden om gedragswetenschappen in beleidsvorming te verankeren. Ervaring leert dat de inzet van kennis over gedrag in beleid alleen werkt als deze vanaf het begin van het beleidsvormende proces wordt meegenomen. Als eerste gaan de auteurs in op de procesmatige verbetermogelijkheden die, mits goed ingezet, zouden moeten leiden tot een algemene verhoging van de kwaliteit van beleid en wetgeving. Daarna beschrijft het rapport de mogelijkheden om gedragswetenschappelijke kennis in de organisatie te verankeren. De belangrijkste tip wordt pas aan het einde van het hoofdstuk gegeven; houd het hogere doel voor ogen! De implementatie van gedragswetenschappelijke kennis in de beleidsorganisatie is geen doel an sich. Het werkelijke doel is en blijft beter beleid, dat goed aansluit op de wensen en noden van de moderne samenleving.

    Nudge

    Na twee meer beleidstechnische hoofdstukken kiezen de auteurs er voor om in hoofdstuk 3 en 4 inhoudelijk de diepte in te gaan. Beide hoofdstukken bevatten een degelijke theoretische basis, maar ook genoeg discussiemateriaal en praktijkvoorbeelden om de inhoud goed over te brengen. 

    Hoofdstuk 3 gaat over nudging. Mag de overheid wel via nudging ingrijpen in hetgedrag van burgers?  Veel kritiek op nudging gaat over nudging via keuze-architectuur. De kritiek daarop komt vaak uit de Amerikaanse hoek, waar overheidsingrijpen an sich al niet populair is. Sturing via keuzearchitectuur kan zelfs heel positief zijn, als het in de plaats van ver- of geboden komt. Een nudge om werknemers op de fiets te laten komen, is veel positiever dan een inkrimping van het aantal parkeerplaatsen, of een verbod voor werknemers die dichtbij kantoor wonen om met de auto te komen. Soms heeft de overheid zelfs een taak in het sturen van gedrag, omdat bepaalde keuzes niet meer de mogelijkheid bieden om gedrag achteraf te corrigeren; een ernstig auto-ongeluk door onvoorzichtig rijgedrag of een dodelijke ziekte door roken kunnen niet meer goedgemaakt worden. 

    Ook de rechtsstatelijke aspecten van nudgen komen aan bod. Hier is in de mobiliteitssector nog maar weinig over geschreven. Verkeer en vervoer kent al een brede set wet- regelgeving die als onderliggende basis voor gedrag gelden, zoals verkeersborden. Het onderwerp wordt des te relevanter als het nudgen zwaardere onderwerpen, zoals donorcampagnes betreft. Toch is het ook bij lichtere beleidsonderwerpen relevant om bij het inzetten van nudges een afweging te maken van het wettelijke kader. 

    Hoe handig nudgen ook kan zijn, het blijft symptoombestrijding. Nudges veranderen mensen niet wezenlijk en de aanbodzijde van het probleem net zo min. Dat betekent dat een structurele aanpak van het probleem ook nodig is. Oftewel; een automobilist kan met een leuke probeeractie misschien een keertje de bus pakken, maar zo lang de bus geen concurrerend alternatief is, zal deze automobilist zijn gedrag niet veranderen.  

    Keuzegedrag

    In hoofdstuk 4 worden keuzes behandeld. Tegenwoordig moeten mensen steeds meer keuzes maken; niet alleen over hoe we reizen, maar ook hoe we ons willen verzekeren, wat we met ons spaargeld doen, hoe we onze balans tussen werk en privé inrichten, en ga zo maar door. De overheid is blij met zelfredzame burgers, maar de WRR waarschuwt voor een te hoge keuzedruk. Daarbij haalt ze een onderzoekje aan waarbij mensen in een winkel jam mochten kopen. De proefpersonen die konden kiezen uit zes soorten jam gingen vaker en beter weloverwogen tot aankoop over dan mensen die konden kiezen uit 24 soorten jam. De mogelijkheid om weloverwogen, verstandige beslissingen te nemen in het leven wordt zelfcontrole genoemd. Er is een causaal verband tussen de mate van zelfcontrole en iemands succes op allerlei terreinen. Niet iedereen kan dezelfde keuzedruk aan. De WRR behandelt het begrip ego depletion; het uitputten van mentale reserves door een te grote keuzedruk. 

    Er is helaas nog weinig onderzoek gedaan naar methodes om mensen te helpen beter om te gaan met keuzedruk en betere beslissingen te nemen. Een veelbelovende ontwikkeling om de zelfcontrole te vergroten, is de inzet van implementatie-intenties. Hierbij worden keuzes in 'als....dan-patronen' gegoten, waarmee keuzes en het bijbehorende gedrag geconcretiseerd worden. Een voorbeeld daarvan is; 'als het mooi weer is, ga ik op de fiets naar mijn werk.' Het Low CarDiet is een mooi voorbeeld van de inzet van implementatie-intenties. 



    In 'Met kennis van gedrag beleid maken' geeft de WRR een overzicht van de recente inzichten op het gebied van beleidswetenschap en een aantal praktische ideeën voor de inzet daarvan. De WRR pretendeert geen oplossingen te geven, maar dat zou ook bijna niet mogelijk zijn. Eén van de belangrijkste eigenschappen van gedrag is immers dat gedragsvraagstukken en -oplossingen onder elke context anders zijn. Daar ligt de interessantste uitdaging voor de beleidsmakers.

    Nieuwsgierig naar het rapport van de WRR? Download het hele rapport.

    Is nudging symptoombestrijding, of kun je gedrag duurzaam mee veranderen? Discusseer meer op de LinkedIn-groep van CROW-KpVV.

Reacties

Er zijn nog geen reacties op dit bericht

© Copyright 2014 CROW