De auto is (nog steeds) geen broodrooster 21 dec 2016

    "De auto als hebbeding wordt verleden tijd" kopte de Volkskrant op 7 december 2016. Het is geen nieuw geluid. Je leest steeds vaker dat de auto geen ‘begeerlijk statusobject’ meer is, maar een ding zoals alle andere dingen. De auto zou zijn glans, zijn magie, hebben verloren. De auto is een levenloos object geworden en het zal niet lang meer duren of het is gedaan met de auto als bron van status en emotie. Dit standpunt klinkt ook door in rapporten van de Rabobank. De bank geeft met enige regelmaat zijn visie op ontwikkelingen in de autowereld. Kort geleden nog met ‘A convincing case: The best of four worlds. Rabobank's visie op connected cars, autonomous cars, car sharing en electric vehicles’ (een opvallende titel voor een rapport dat helemaal in het Nederlands is geschreven).

    In dit en een eerder rapport van de bank wordt geconstateerd dat consumenten de auto niet meer op dezelfde manier waarderen als vroeger. Ze hechten minder waarde aan de auto en zien het als een ‘convenience product’. De consument laat zich steeds meer leiden door functionaliteit en rationele overwegingen. Hij denkt niet meer in termen van autobezit, maar in termen van mobiliteit: ‘Er treedt een verschuiving op van status, imago en eigendom van de auto naar meer functionaliteit, toegang tot gebruik en een toenemend bewustzijn van totale kosten van mobiliteit’. De auto is met andere woorden een gebruiksvoorwerp geworden.

    De auto als gebruiksvoorwerp?

    Zou een auto inmiddels vergelijkbaar zijn met een broodrooster of mixer? Een gebruiksvoorwerp dat je gedachteloos uit de la pakt en waar je geen enkele diepere gedachte aan wijdt? Een ding dat geen emoties losmaakt en voldoet, zolang het je maar van A naar B brengt? Wie denkt dat de auto een ‘ding’ is heeft het mis. Een auto heeft namelijk verdacht menselijke trekjes.

    In de eerste plaats hebben veel autobezitters het niet over ‘de auto’, maar geven ze hun auto een naam. Opel Nederland liet in 2010 onderzoek doen onder autobezitters. Eén op de vijf bleek voor zijn of haar voertuig een koosnaam te hebben bedacht. Populaire namen waren onder meer Beppie, Susie en Oude Makker. In hetzelfde jaar organiseerde een online verzekeraar een wedstrijd waarin vrouwen werd gevraagd of ze hun auto koosnaampjes gaven en, zo ja, welke. Maar liefst 65 procent van de vrouwen bleek inderdaad koosnaampjes uit te delen, zoals ‘Groenbak’ voor een groene Skoda Felicia en ‘Paulus de Crosskabouter’ voor een Ford Ka. Sommige namen verwezen naar de vorige eigenaar, zoals Paultje (een eerbetoon aan een overleden vader) of meneer Spijker (een heer van 86 die altijd goed voor zijn autootje had gezorgd). Veel namen duiden erop dat de auto wordt gezien als een goede vriend of dierbare vriendin, maar soms vallen auto en bezitter samen. Je bent in dat geval je auto. Op de vraag ‘waar sta je geparkeerd?’ antwoord je ‘Ik sta vlakbij, om de hoek’.  

    In de tweede plaats bleek in 2015 uit een onderzoek van de ANWB dat meer dan een kwart van de Nederlanders tegen zijn auto praat (alsof het een mens is) en dat bijna een kwart zijn auto wel eens liefkozend een aai of schouderklopje geeft.

    Auto’s met een gezicht

    De auto is om nog een reden geen ‘ding’. Mensen zien gezichten in bomen, rotsen, wolken, huizen en huishoudelijke apparaten, zoals blikopeners of tandenborstels. Dat komt omdat al die voorwerpen iets weg hebben van een gezicht, met ogen en neus. Dat geldt ook voor auto’s.

    Een groep antropologen van de Weense universiteit liet deelnemers aan een experiment de eigenschappen, emoties en persoonlijkheid bepalen van 38 verschillende automodellen. Daar hadden de meeste deelnemers geen enkele moeite mee. Ze keken naar de voorkant van een auto alsof deze een mens was, met ogen (de koplampen), mond (de grille met luchtinlaat) en neus (het merkteken in het midden van de motorkap). Ook waren de meesten het erover eens dat auto’s een persoonlijkheid bezitten. Brede auto’s met een smalle voorruit en ver uit elkaar geplaatste koplampen werden gezien als volwassenen, dominant, mannelijk en arrogant. En bij dicht bij elkaar staande koplampen vonden de proefpersonen de auto’s al snel kinderlijk, vrouwelijk of vriendelijk.


    Kinderlijke en volwassen auto’s (uit: Windhager, S., et al. (2008) ‘Face to face’)

    Auto’s lijken op de eigenaar

    Wanneer een auto een gebruiksvoorwerp is, ligt het voor de hand dat kopers vooral uitgaan van instrumentele motieven. De auto moet praktisch zijn, technisch in orde, niet te duur en voldoende ruimte bieden. Onderzoek laat echter zien dat ook andere motieven een rol spelen. De auto moet bijvoorbeeld passen bij je persoonlijkheid. Zo ontstaan voor de hand liggende combinaties. Zelfs zo voor de hand liggend dat mensen in staat zijn eigenaren aan hun auto te koppelen zonder dat ze verder ook maar iets van de autobezitters weten. De Duitse psychologen Alpers en Gerdes maakten foto's van 60 autobezitters en hun auto. Vervolgens kregen de deelnemers aan het experiment de foto van een autobezitter te zien, een foto van zijn auto en een foto van een andere, willekeurig gekozen auto. Ze moesten vervolgens aangeven welke van de twee auto's bij de eigenaar hoorde. Verrassend genoeg scoorden de deelnemers ruim boven toeval: in 68 procent van de gevallen maakten zij een goede match. Waarschijnlijk legden ze op basis van een inschatting van de leeftijd, sekse, kleding en de persoonlijkheid van de gefotografeerde mensen een link met de juiste auto. Auto en chauffeur zijn look-alikes.

    Soort zoekt soort

    Ook de psychologen Stefan Stieger en Martin Voracek hebben laten zien dat autobezitters op hun auto lijken. Dit kan te maken hebben met stereotypen. Mannen die er ‘mannelijk’ uitzien, worden dan gekoppeld aan auto’s met een ‘mannelijk’ imago. Maar er is volgens de onderzoekers meer aan de hand. Mensen kunnen ook echt op hun auto lijken. Dit heeft volgens de psychologen te maken met ‘impliciet egotisme’: we zijn zonder het te beseffen nogal op onszelf gericht. En alles wat aan onszelf raakt, heeft een streepje voor. Dat kan ook een rol spelen bij het kopen van een auto. Wanneer de voorkant van een auto op ons gezicht lijkt, krijgt dat model onbewust de voorkeur. Soort zoekt nu eenmaal soort (en dus lijken autobezitters op hun auto en hondenbezitters op hun hond).


    Honden en hun baas (uit: Payne, C. en K. Jaffe (2005) ‘Self seeks like’)

    Een verkeerd signaal

    We kiezen een de auto die bij ons past. Het is immers ondenkbaar dat onze koning of de premier van Nederland zich laat voorrijden in een rammelende Fiat Panda. En zo is het evengoed ondenkbaar dat een directeur van een sociale woningbouwvereniging in een protserige Maserati Quattroporte rondrijdt, een auto van 186.000 euro. De meeste mensen denken dan: ‘hier klopt iets niet’. De commissarissen van de woningbouwvereniging kwamen tot dezelfde conclusie. Ze riepen de directeur tot de orde en schreven dat de gekozen dienstauto ‘een verkeerd signaal’ was. Pas toen de directeur voor de parlementaire enquêtecommissie Woningcorporaties stond, was hij het ermee eens. Hij had het geld van zijn huurders anders moeten besteden en vond het ‘verkeerde beeldvorming’.

    De auto is meer dan een broodrooster

    Sommigen, zoals de Rabobank, lijken te suggereren dat de auto geen bron van status en emotie meer is. De auto zou tegenwoordig anders worden beleefd. Dat is echter zeer de vraag. Het KiM publiceerde onlangs ‘Stabiele beelden’ waarin ingegaan wordt op de beleving en beeldvorming van mobiliteit in 2005 en 2016. Uit het onderzoek blijkt dat de oordelen en emoties van Nederlanders over de verschillende vervoerwijzen niet of nauwelijks zijn veranderd. De auto wordt onverminderd geassocieerd met positieve emoties, zoals ‘vreugde’. Ook scoort de auto nog steeds goed op onafhankelijkheid en het plezier dat met autorijden gepaard gaat. De auto is, kortom, nog steeds geen rijdend broodrooster. Het is een object met verdacht menselijke trekjes. De auto krijgt koosnaampjes, heeft een menselijk uiterlijk (met ogen, neus en mond) en een eigen persoonlijkheid (zoals mannelijk of kinderlijk). Bovendien kiezen we een auto die bij ons past. Auto en chauffeur zijn look-alikes. Er zit (nog steeds) beduidend meer ‘mens’ in dan je op het eerste gezicht zou zeggen.



    Door Jaco Berveling, onderzoeker bij het KiM (Kennisinstituut voor Mobiliteit)

Reacties

Er zijn nog geen reacties op dit bericht

© Copyright 2014 CROW