Achtergronden Organisatie en Spelregels: Wie doet wat?

 
  • ‘Europa’ stelt sinds 1969 kaders op voor nationale regelgeving over openbaar vervoer. Hieronder staan de eisen aan de toegang tot het beroep, milieueisen aan voertuigen, regels over de werking van de markt en aan het verlenen van subsidies (‘compensatie’) in relatie tot staatssteun.

    Op 3 december 2009 trad de Public Services Obligation (PSO) in werking (verordening 1370/2007).
    Deze verordening stelt onder meer eisen aan de aanbesteding en de ’inbesteding’ (aan interne exploitant) van openbaar vervoer per bus, tram en metro en aan de maximale concessieduur. Spoorvervoer mag ook onderhands worden gegund. De verordening is het belangrijkste kader voor nationale regelgeving op het gebied van het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg.

    Op nationaal niveau wordt het openbaar vervoer geregeld in de Wet personenvervoer 2000 (Wp2000) en het Besluit Personenvervoer 2000 (Bp 2000). De Wp2000 regelt de rollen en taken van verschillende partijen in het openbaar vervoer en beschrijft de spelregels. Zo is bepaald dat de provincies en een zevental Wgr-plusregio’s (stadsregio’s) verantwoordelijk zijn voor het regionale openbaar vervoer en dat ze dit in concessies moeten regelen. Het Bp2000 is de uitwerking van de wet; het is een algemene maatregel van bestuur.

    Er zijn dus 19 regionale concessieverleners. Ze worden ook wel ov-autoriteiten genoemd. Groningen en Drenthe hebben de uitvoering van hun ov-taak gebundeld in één ov-bureau. Een ov-concessie geeft een openbaarvervoerbedrijf het exclusieve, maar tijdelijke, recht op het verrichten van openbaar vervoer binnen een bepaald gebied of op een bepaalde verbinding. In juridische zin is de concessie een beschikking, dat wil zeggen een eenzijdige publiekrechtelijke handeling. De Wp2000 bepaalt dat de concessies voor regionaal openbaar vervoer openbaar moeten worden aanbesteed.

    De provincies en stadsregio’s krijgen via de Brede Doeluitkering verkeer en vervoer (BDU) geld van het Rijk voor verkeer- en vervoerdoeleinden. Zij bepalen zelf waaraan ze de BDU besteden. Een aanzienlijk deel wordt besteed aan de exploitatie van openbaar vervoer. Ongeveer de helft van de exploitatiekosten wordt hiermee gedekt. De andere helft bestaat uit de kaartverkoop, waaronder het contract met het ministerie van OCW voor het vervoer van studenten. Voor de historie van de ov-subsidiëring klik hier.

    Er zijn voor het openbaar vervoer twee toezichthouders: de Inspectie Verkeer en Waterstaat en de Nederlandse Mededingingsautoriteit. Zij controleren of de Wp2000 wordt nageleefd. De Inspectie houdt toezicht op de veiligheid, concurrentie en arbeidsomstandigheden. De NMa Vervoerkamer ziet toe op de mededinging in het regionale openbaar vervoer en de spoorsector.

    Een nieuwe speler in het veld van het collectief vervoer is Kiwa Register B.V.. Deze organisatie is sinds medio 2010 onder meer belast met de afgifte van ondernemersvergunningen. Sinds 1 januari 2010 zijn de vergunningen voor collectief personenvervoer (CPV) afgeschaft. Volgens de Europese wetgeving is een communautaire vergunning voldoende. Deze vergunning en de per bus noodzakelijk gewaarmerkte afschriften worden door het Kiwa afgegeven.

    De Wp2000 verplicht vervoerbedrijven minimaal een keer per jaar advies te vragen aan consumentenorganisaties over wijzigingen in de dienstregeling. Ook de ov-autoriteiten moeten de consumentenorganisaties bij belangrijke beslissingen betrekken, in ieder geval bij het aanbesteden van concessies. De consumentenorganisaties zijn regionaal georganiseerd in ROCOV-verband (Regionaal Overleg Consumenten OV).

    Gemeenten hebben geen wettelijke taken in het openbaar vervoer. Toch zijn ze in de voorwaardenscheppende sfeer buitengewoon belangrijk. Gemeenten zijn bijvoorbeeld wegbeheerder en ze werken aan de bereikbaarheid, de ruimtelijke ordening, het milieu en de zorg. De taak van wegbeheerder komt onder andere naar voren bij het aanleggen van bus- en tramhaltes, infrastructuuraanpassingen, verkeersveiligheid en doorstroming. Verder moet gedacht worden aan informatieverschaffing en speciale tarieven.

Klantenservice
ma. t/m vr. van 8.30 tot 17.00 uur
Scroll naar boven