2 Voetganger

70% van alle verplaatsingen gaat geheel of gedeeltelijk te voet. Bijna iedereen kan lopen en dat doen we dan ook massaal: Om een stukje te wandelen, voor een boodschap, om een brief te posten of op weg naar de bus. Maar in transportstatistieken komt lopen niet zo prominent naar voren. Dit komt deels door de manier waarop de data worden verzameld en deels door het feit dat vaak wordt gekeken naar het aantal afgelegde kilometers en niet naar het aantal verplaatsingen of de tijd die mensen eraan spenderen. 

Er bestaan verschillende typen loopverplaatsingen. Zo kun je functioneel lopen van A naar B, bijvoorbeeld van huis naar de bakker. Ook lopen mensen vaak van en naar stations en haltes, dan is lopen een vorm van voor- en natransport. Een derde vorm is lopen zonder specifieke bestemming, bijvoorbeeld als je een blokje om gaat met de hond of als je aan het winkelen bent. Een laatste categorie is de korte verplaatsing. Denk aan een kopje suiker lenen bij de overburen of een brief posten aan het einde van de straat. Bij het interpreteren van statistieken is het belangrijk deze verschillende vormen in het oog te houden. 

Verplaatsingen-Lopen-2018-2019-per-RMP-regiob.png
Klik op de grafiek voor weergave in de Duurzaamheidsscore, hier kunt u de gegevens ook (geografisch) anders laten weergeven.

Cijfers van het ODiN laten zien dat hoewel maar 2,7% van alle afgelegde kilometers te voet gaat, 16,5% van alle verplaatsingen een loopverplaatsing is. Zo bezien lijkt het al heel wat, maar in werkelijkheid is het nog veel meer. In de data van het ODiN wordt lopen namelijk onderschat. Dat komt doordat:
  • Lopen als vorm van voor- en natransport maar ten dele wordt meegenomen; 
  • Korte afstanden er niet of nauwelijks in zitten. 
Als die loopverplaatsingen wel worden meegenomen gaat 69% van alle (deel)verplaatsingen te voet.
 
Berekening aandeel deelverplaatsingen te voet
Sommige verplaatsingen bestaan uit één deelverplaatsing, zoals lopen van A naar B en soms ook fietsen (als er niet hoeft te worden gelopen van of naar de fiets). Andere verplaatsingen bestaan uit meerdere deelverplaatsingen, zoals bij het openbaar vervoer en ook de auto. Je moet immers ook nog naar de halte lopen of van de parkeerplaats naar de eindbestemming. Een dergelijke verplaatsing bestaat dus uit drie deelverplaatsingen. Als we alle deelverplaatsingen optellen is dat samen 100%. Daarvan blijkt 69% een loopverplaatsing te zijn.
 
De onderschatting van lopen is ongeveer 40% van de reizigerskilometers. Het aantal voetgangersverplaatsingen per dag wordt geschat op 1,0 (in plaats van 0,41). De gemiddelde verplaatsingsafstand wordt geschat op 710 meter in plaats van de 820 meter die het ODiN 2018-2019 laat zien. Ook blijkt dat als we beter kijken wat voetgangers werkelijk doen, dat van de 321 km die we jaarlijks lopend afleggen, 133 km bestaat uit lopen van of naar een ander vervoermiddel. We spenderen gemiddeld 17,6 minuten per dag aan lopen. Onderstaande tabel laat de modal split zien uit 2012 met tussen haakjes een schatting van het werkelijke aantal kilometers, verplaatsingen en gespendeerde tijd:
 
Lengte, duur en aantal verplaatsingen in 2012
per persoon per dag Totaal Auto bestuur-der Auto passa-gier Trein Bus/
tram/
metro
Brom-/Snor-
fiets
Fiets Lopen Lopen %-age
Kilometers 28,3 15,07 5,97 2,26 0,74 0,18 2,53 0,78
(1,1)*
2,76%
Reisduur in minuten 60,32 20,60 8,84 4,16 2,62 0,48 12,96 9,22
(17,6)*
15,3%
Verplaatsingen 2,68 0,88 0,38 0,05 0,06 0,03 0,74 0,49
(1,0)*
18,3%
*) schatting van het werkelijke aantal obv Methorst 2005a, 2009 en 2010
 Bron: CBS, bewerking CROW 

 

Tweederde van alle loopverplaatsingen is functioneel

Er zijn veel redenen om te gaan lopen, waaronder wandelen en toeren. Maar ook het volgen van onderwijs gaat bij 27% van de verplaatsingen te voet. Functioneel lopen we het meest om te winkelen en boodschappen te doen. 
Toeren heeft niet als doel ergens te komen. 80% van dit toeren gebeurt wandelend. In totaal vindt ongeveer 22% van alle verplaatsingen te voet plaats. Waar in vroegere tijden naar het werk lopen heel normaal was, gebeurt dat nu nog maar weinig. Zakelijke bezoeken te voet zijn al helemaal sporadisch.
Activiteit Aandeel voetgangers per motief Verdeling voetgangers-verplaatsingen over motieven Verdeling alle verplaatsingen over de motieven
Wandelen en toeren   80%   35%     8%
Onderwijs en cursus   27%   11%     2%
Overige motieven   22%     7%     2%
Winkelen en boodschappen   20%   17%     3%
Diensten   19%     3%     0%
Sociaal en recreatief   18%   11%     3%
Visite en logeren   16%   12%     3%
Van en naar het werk     4%     3%     0%
Zakelijk bezoek     2%     0%     0%
Alle motieven   22% 100%   22%
Bron: CBS, MON 2004-2008, bewerking CROW-KpVV
 

Grote verschillen tussen regio´s en gemeenten bieden kansen voor modal shift

Het is opvallend hoe groot de verschillen zijn tussen verschillende regio’s en tussen verschillende gemeenten. Hoewel het meest wordt gelopen in grote steden, springen ook enkele kleinere gemeenten eruit. Dit betekent dat er in theorie goede mogelijkheden zijn voor een modal shift.  

Onderstaande figuur laat zien dat in de grotere steden meer wordt gelopen dan in landelijke gemeenten. De nabijheid van voorzieningen is hier dan ook groter. Omdat het openbaar vervoer gebruik in de grote steden hoger ligt, ligt het voor de hand dat ook meer gelopen wordt als voor- en natransport. Ook valt op dat het aandeel in alle stedelijkheidsgraden daalt. Deze verschillen zijn (mede) het gevolg van een trendbreuk, waarbij het ODiN (2018 en 2019) andere methoden gebruikt dan de voorgangers (OViN, MON, OVG):

Verplaatsingen-lopen-Stedelijkheid-3.png
Klik op de grafiek voor weergave in de Duurzaamheidsscore, hier kunt u de gegevens ook (geografisch) anders laten weergeven.

In de diagram hieronder staat de top 10 RMP regio's met het grootste aandeel voetgangers:
Modal-split-RMP-regio-met-hoogste-aandeel-voetgang.png
Top 10 grootste aandeel voetgangersverplaatsingen in zeer sterk stedelijke gemeenten 2018-2019
Bron CBS, bewerking Goudappel Coffeng en CROW-KpVV
Klik op de grafiek voor weergave in de Duurzaamheidsscore, hier kunt u de gegevens ook (geografisch) anders laten weergeven.

Uit deze diagram blijkt dat er vooral veel verschil is in het aantal verplaatsingen per fiets en als autobestuurder.

Hoewel al uit de tabel met stedelijkheidsgraden blijkt dat er relatief veel wordt gelopen in grotere steden, zijn er ook kleinere plaatsen waar veel wordt gelopen (zie tabel hieronder). En wat niet verbaast is dat men zich op Vlieland veel te voet verplaatst, al is de betrouwbaarheidsmarge hier zo groot dat het getal eigenlijk niets zegt. Het 95% betrouwbaarheidsinterval voor Vlieland is 2,8 +- 1,388*2.80. Oftewel tussen de 0 en 6,7 verplaatingen per dag. Omdat het aantal ingevulde enquêtes voor kleinere gemeenten beperkt is, is de betrouwbaarheidsmarge groot. Hieronder de tabel met gemeenten met grootste aantal voetgangersverplaatsingen per dag 2018-2019:
 
  Aantal
verplaatsingen
lopen per dag
Relatieve
betrouwbaarheid
interval (95%)
Vlieland 2,80 138,8
Wageningen 0,69 24,6
Hilvarenbeek 0,66 44,6
Terschelling 0,65 78,0
Enkhuizen 0,65 43,2
Vaals 0,64 61,1
Vlissingen 0,62 29,5
Doesburg 0,61 52,5
Roerdalen 0,60 42,5
Heerlen 0,60 20,6
Amsterdam 0,56 6,8
Den Haag 0,55 7,1
Maastricht 0,55 17,3
Rotterdam 0,54 6,7
Groningen 0,54 11,9
IJsselstein 0,54 34,2
Woensdrecht 0,54 38,5
Bron: ODiN 2018-2019, bewerking CROW-KpVV

De top 10 gemeenten met het kleinste aandeel voetgangersverplaatsingen is als volgt:
  Aantal
verplaatsingen
lopen per dag
Relatieve
betrouwbaarheid
interval (95%)
Rozendaal 0,08 340,0
Dantumadiel 0,12 94,3
Noord-Beveland 0,14 128,5
Brielle 0,14 69,4
Borsele 0,15 62,1
Hattem 0,16 98,1
Sint Anthonis 0,17 68,0
Ooststellingwerf 0,18 64,3
Borger-Odoorn 0,19 60,1
De Fryske Marren 0,19 39,5
Bron: ODiN 2018-2019, bewerking CROW-KpVV

Als we deze aantallen vergelijken met die van de gemeenten met de meeste voetgangersverplaatsingen, dan valt op dat het aantal dat we te voet afleggen wel tot een factor 7 verschilt. Dit geeft een vermoeden dat met beleid gericht op voetgangers de modal shift in veel gemeenten nog wel iets kan veranderen. Zeker omdat het belang van lopen groeit.
 

Openbaar vervoer kan niet zonder lopen 

Lopen is een belangrijke vorm van voor- en natransport bij reizen met het openbaar vervoer. Bij de trein vooral als natransport, bij de bus komt lopen zowel aan de woningzijde als aan de activiteitenzijde veel voor. Mensen lopen ook van en naar hun auto en zelfs nog een stukje in combinatie met de fiets.  Lopen is de belangrijkste vervoerswijze als voor- en natransport naar de trein: gemiddeld 36%: 
 
Voor- en natransport trein voor stations hoofdrailnet Woningzijde Activiteitenzijde Gemiddeld
Lopen 24,2% 47,7% 36,0%
Fietsen 38,6% 12,0% 25,3%
Bus, tram, metro 23,2% 26,0% 24,6%
Auto (passagier) 5,9% 7,7% 6,8%
Auto (bestuurder) 7,2% 2,3% 4,7%
Overig 0,4% 3,4% 1,9%
(Trein)taxi 0,5% 1,0% 0,7%
Totaal 100   % 100   % 100   %
Bron: NS (2005), bewerking: CROW-Fietsberaad

Als voor- en natransport voor tram, metro en bus is lopen nog belangrijker, gemiddeld bijna 90% van de verplaatsingen:
 
Bron: Van Nes, 2014 obv data 2006-2009
 
Lopen is niet alleen een belangrijke vorm van voor- en natransport bij openbaar vervoer, maar ook bij de auto en zelfs bij de fiets. Mensen lopen het verst naar het station en van het station naar hun eindbestemming, maar ook bij de auto worden meters afgelegd als niet voor de deur geparkeerd kan worden: 
 
Vervoerwijze Aantal meters dat mensen lopen voor- en natransport samen
Fiets 80
Auto 180
Lokaal openbaar vervoer 950
Trein 1300
Bron: Methorst (2009)


Sociaal economische factoren

De volgende socio-economische factoren hebben een relatie met hoeveel mensen lopen:
  • Leeftijd: Uit buitenlands onderzoek blijkt dat vooral kinderen onder de 12 jaar en ouderen boven de 75 jaar veel lopen. Samen zijn deze leeftijdsgroepen verantwoordelijk voor ruim 60% van alle voetgangersverplaatsingen (EC 2015). In de Nederlandse cijfers komt dit gedeeltelijk terug. Kinderen onder de 12 jaar lopen inderdaad vrij veel: tussen 0 en 12 jaar zelfs 0,91 km gemiddeld per dag. Kinderen tussen de 12 en 15 jaar lopen het minst; zij fietsen vooral. Ouderen tussen de 60 en 65 jaar lopen veel en ver. Ouderen boven de 75 jaar lopen weer minder en leggen kortere afstanden af (CBS 2015a);
  • Geslacht: Vrouwen lopen meer en verder dan mannen (Verhoeven 2009, ITF 2012);
  • Etniciteit: allochtonen lopen meer dan autochtonen. Eerste generatie allochtonen lopen meer dan tweede generatie allochtonen. De groep die het meest loopt bestaat uit eerste generatie Marokkaanse en Surinaamse vrouwen (Verhoeven 2009);
  • Inkomen: hoe armer iemand is, hoe meer iemand loopt (CBS 2015a). Mensen met een lager inkomen lopen langere afstanden naar hun werk dan mensen met een hoger inkomen, maar juist kortere afstanden voor recreatie (Yang en Diez-Roux 2012);
  • Autobezit: Mensen die een auto bezitten lopen minder (TFL 2011, CBS 2015a).


Bron: CROW, Ede, 2014, Lopen loont, de voetganger in beleid, ontwerp en beheer.

Duurzame mobiliteit
Submenu openen

Aanbesteden van autodelen

Scroll naar boven