Leuningen en handgrepen

Reizigers moeten in een rijdende of stilstaande bus kunnen staan of lopen zonder het risico te lopen ten val te komen. Daarom moeten er voldoende leuningen en/of handgrepen zijn voor elk punt dat bestemd is voor staande passagiers. De leuningen en handgrepen moeten stevig genoeg zijn. Zij moeten zodanig ontworpen en aangebracht zijn dat de passagiers zich er niet aan kunnen verwonden. Grijplussen mogen worden meegerekend als handgrepen als zij met geschikte middelen op hun plaats worden gehouden.

Doorsnede

De leuningen en handgrepen moeten een doorsnede hebben waardoor de passagiers ze gemakkelijk en stevig kunnen omvatten. De doorsnede mag daarom nergens kleiner dan 20 mm of groter dan 45 mm zijn, behalve bij leuningen aan deuren en zitplaatsen. Bij voertuigen van de klassen II, III en B mag de doorsnede ook bij toegangen kleiner zijn. In deze gevallen zijn leuningen met een minimumdoorsnede van 15 mm toegestaan als een andere afmeting minstens 25 mm bedraagt.

Ruimte

Iedere leuning moet minstens 100 mm lang zijn om genoeg ruimte voor de hand te bieden. Leuningen mogen geen scherpe bochten hebben. De ruimte tussen een leuning of handgreep en het dichtstbij gelegen deel van de voertuigcarrosserie of -wand moet minstens 40 mm zijn. Voor een leuning aan een deur of zitplaats of bij toegangen van een voertuig van de klassen II, III en B is een minimumruimte van 35 mm toegestaan.

Contrasterende kleur

Het oppervlak van een leuning, handgreep of staander moet contrasterend van kleur en slipvrij zijn. De handrails links en rechts van deuropening zijn herkenbaar door een contrasterende, opvallende kleur. Aan beide zijden van de deur zijn handvatten aanwezig die bestaan uit een verticaal en een horizontaal deel. Uit hygiënisch oogpunt heeft glad materiaal in het algemeen de voorkeur. De diameter van de handrail en de leuning bedraagt bij voorkeur 40 tot 50 mm.
Staplaatsen
De leuning of handgreep moet geplaatst zijn op maximaal 1.500 mm boven het vloeroppervlak. Plaatsen die niet door zitplaatsen van de zij- of achterwanden worden gescheiden, moeten horizontale leuningen hebben die evenwijdig aan de wand lopen. Deze leuningen moet u op een afstand tussen 800 en 1.500 mm boven het vloeroppervlak plaatsen. 

Bedrijfsdeuren

De opening van elke bedrijfsdeur moet aan beide zijden voorzien zijn van leuningen en/of handgrepen. Bij dubbele deuren kunt u aan dit voorschrift voldoen door een centrale staander of leuning aan te brengen.

Een persoon die voor de bedrijfsdeur op de grond staat of op de daarop volgende trede, moet de leuningen of handgrepen bij de deuren kunnen vastgrijpen. De leuningen en/of handgrepen moeten zich in het verticale vlak tussen 800 en 1.100 mm boven de grond of het tredenoppervlak bevinden. Voor het horizontale vlak geldt:

  • voor een op de grond staand persoon niet meer dan 400 mm naar binnen, gemeten van de buitenrand van de eerste trede
  • voor een passagier die op een bepaalde trede staat niet verder dan de buitenrand van de betrokken trede en niet meer dan 600 mm naar binnen, gemeten van dezelfde rand

Tussen gereserveerde zitplaatsen en de bedrijfsdeur die als in- en uitgang te gebruiken is, moet een leuning geplaatst zijn op een hoogte tussen 800 en 900 mm boven het vloeroppervlak. Een onderbreking is toegestaan als dat nodig is om toegang te krijgen tot een rolstoelruimte, een zitplaats boven een wielkast, een trap, een doorgang of een gangpad. Onderbrekingen in een leuning mogen niet groter zijn dan 1.050 mm. Aan ten minste een zijde van de onderbreking moet een staander zijn aangebracht.

Terug naar interieur

Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte

Titel

Body

Let op

Kies eerst een datum.