Toegankelijk collectief personenvervoer
Interieur
Inrichting en uitrusting van de bus
De inrichting van elk merk of type bus is het resultaat van tal van voorschriften, randvoorwaarden, overwegingen en afwegingen, zoals de EG-richtlijn (2001/85/EG) . Die richtlijn heeft tot doel de veiligheid van passagiers te waarborgen en de voertuigen toegankelijk te maken voor personen met een mobiliteitsbeperking.
In de richtlijn staat aangegeven tot welke klassen voertuigen behoren. Voor voertuigen met een capaciteit van meer dan 22 passagiers, de bestuurder niet meegerekend, bestaan er drie klassen voertuigen:
- Klasse I voertuigen gebouwd met ruimte voor staande passagiers, zodat passagiers vaak kunnen in-en uitstappen
- Klasse II voertuigen voornamelijk gebouwd voor het vervoer van zittende passagiers en ontworpen voor het vervoer van staande passagiers in het gangpad en/of op een oppervlak dat niet groter is dan de ruimte voor twee dubbele zitplaatsen
- Klasse III voertuigen uitsluitend gebouwd voor het vervoer van zittende passagiers
Een voertuig mag tot meer dan één klasse behoren. In een dergelijk geval kan het voertuig voor elke klasse waarin het kan worden ingedeeld, worden goedgekeurd.
Voor voertuigen met een capaciteit van maximaal 22 passagiers, de bestuurder niet meegerekend, zijn er twee voertuigklassen:
- Klasse A voertuigen ontworpen voor het vervoer van staande passagiers; een voertuig van deze klasse heeft zitplaatsen en moet voorzieningen voor staande passagiers hebben
- Klasse B voertuigen niet ontworpen voor het vervoer van staande passagiers; een voertuig van deze klasse heeft geen voorzieningen voor staande passagiers
Binnen de fysieke afmetingen van de carrosserie moet een balans gevonden worden tussen bestuurderszitplaats, wielkasten, plaats van de motor, plaats en afmetingen van bedrijfsdeuren en zit- en staanplaatsen. Elke bus heeft daardoor meer of minder specifieke kenmerken. Lees meer over de volgende inrichtingselementen:
