Footer
KpVV is onderdeel van CROW
Hieronder gaan we in op de belangrijkste financiële spelregels. Het gaat hier om de procedurele kant – elders bespreken we financiële prikkels als sturingsinstrument. Zie ook: BTW-plicht.
OV-autoriteiten financieren hun subsidie voor het OV uit de Brede Doel Uitkering (BDU). Deze BDU zal geïndexeerd moeten worden voor loon- en prijsstijgingen op een dusdanige manier dat het daadwerkelijk overeenkomt met de stijgingen die ervaren worden door concessiehouders.
Hieraan wordt gewerkt door de koepels voor provincies en stadsregio’s (IPO en SKVV). Zodra hier meer over bekend is, zal dit hier een plek krijgen in de Toolbox.
Naast bonussen, malussen en monitoring bestaat ook de wens om afspraken te maken over wat er gebeurt wanneer als veranderingen tijdens de concessieperiode noodzakelijk zijn. Denk hier bijvoorbeeld aan de bouw van een nieuwe woonwijk die bedient dient te worden. Dit kan gedekt worden door een meer/minderwerkregeling. Deze bespreken we in deze paragraaf.
Op zichzelf is de prijs voor meer-/minderwerk geen financiële prikkel. Echter, het kan (onbedoeld) wel zo werken – en dan vooral in negatieve zin: als de prijs voor meer-/minderwerk lager is dan de daadwerkelijke kosten voor een vervoerder, bestaat de kans dat deze nieuwe ontwikkelingen tegenwerkt.
Hierin zijn verschillende keuzes te maken:
Vaststellen meer-/minderwerkprijs door opdrachtgever, door vervoerder of berekenen uit de bieding van de vervoerder?
Vaststelling door de opdrachtgever is de meest simpele en heldere methode. De kans is echter dat dit een prijs is die sterk afwijkt van de reële prijs, de opdrachtgever. kan immers niet vooraf in de boeken van de vervoerder kijken. Een goede kostencalculatie kan dit (deels) verhelpen.
De vervoerder de prijs laten vaststellen heeft dit risico niet, maar brengt echter het risico van strategisch gedrag met zich mee: een extreem hoge prijs. Dit kan verholpen worden door hier gunningspunten aan te geven. Dit moet dan wel substantieel aantal zijn, dat wellicht beter besteed kan worden.
Daarom kiezen veel overheden er voor om de prijs voor meer-/minderwerk een resultante te laten zijn van de bieding van de vervoerder.
Uniform of gedifferentieerd tarief?
Uniforme tarieven zijn eenduidig, maar leiden al snel tot discussie, omdat het een gemiddelde betreft dat in werkelijkheid vrijwel nooit van toepassing is op een concrete wijziging. De belangrijkste component is of de vervoerder wel of geen nieuw materieel moet aanschaffen voor de wijziging en zo ja, welk materieel.
Daarom is differentiatie wenselijk. Veel gebruikte differentiaties zijn naar spits / dal (in spitsuren is nieuw materieel vaker nodig) en naar materieeltype (klein / groot / geleed). Een marktconsultatie kan helpen hier juiste factoren voor te bepalen.
In Midden-Overijssel is een andere aanpak gehanteerd. Hier werd gewerkt met één ‘kale’ DRU-prijs exclusief capaciteitskosten (=materieelkosten). Deze is in het bestek vastgesteld op 75 % van de gemiddelde DRU-prijs. Deze geldt in principe voor al het meer-/minderwerk. Echter, als nieuw materieel nodig is kan dit in overleg met de opdrachtgever apart vergoed worden.
Een statisch tarief legt nodeloos veel risico’s bij de vervoerder (stijging brandstofprijzen, etc.). Het heeft daarom de voorkeur dit tarief op een reële manier te indexeren.
Aanbevelingen
Een voorbeeldtekst over meer-/minderwerk is is hier te downloaden.